Rb. Amsterdam 29 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2623

Voorlopige voorziening. Artikel 33, eerste lid, van de Wet Bibob en artikel 4:11 van de Awb. De burgemeester heeft een restaurantexploitant, naar aanleiding van een Bibob-advies, geweigerd een exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning te verlenen. De exploitant, die op grond van beleid al mocht exploiteren in afwachting van de beslissing op de vergunningaanvragen, is verder gelast het restaurant te sluiten op straffe van bestuursdwang. De burgemeester heeft nagelaten de exploitant in de gelegenheid te stellen een zienswijze kenbaar te maken, terwijl artikel 33 van de Wet Bibob het bieden van die gelegenheid voorschrijft in een situatie als deze. De sluiting en de aanzegging van de bestuursdwang is daarmee gebaseerd op een Bibob-advies waarvan de exploitant de juistheid niet ter discussie heeft kunnen stellen. De burgemeester heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van vereiste spoed als bedoeld in artikel 4:11 van de Awb. Met het gevreesde gevaar, zoals dat uit het Bibob-advies blijkt, is die spoed op zichzelf niet gegeven: artikel 33 van de Wet Bibob ziet juist op de situatie waarin er een advies ligt dat op een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van die wet duidt. De enkele omstandigheid dat de exploitatie al was aangevangen, maakt dit niet anders. Indien de burgemeester uitsluitend daarom zou afzien van het vragen van zienswijzen, maakt dat artikel 33 van de Wet Bibob niet langer van toegevoegde waarde, aangezien op grond van het beleid dan wel reeds verleende vergunningen in bijna alle gevallen sprake zal zijn van exploitatie. Bovendien staat ook in het beleid dat de betrokkene over wie een Bibob-advies is uitgebracht in de gelegenheid wordt gesteld daarop zijn zienswijze te geven. Ondernemingen die in afwachting van een vergunning of op basis van een verleende vergunning al mogen exploiteren, zijn hiervan niet uitgezonderd. De gelaste sluiting is geschorst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen