Rb. Amsterdam 29 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9924

Eiseres, verhuurster, heeft in de afgelopen jaren een gedeelte van de incasso van haar huurvorderingen uitbesteed aan gedaagde sub 1, een gerechtsdeurwaarderskantoor waarvan gedaagden sub 2 en 3 de directie vormen. De samenwerkingsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 1 augustus 2013. Eiseres vordert in conventie een verklaring voor recht. Haar vordering bestaat in wezen uit twee delen. Het eerste deel strekt ertoe te verklaren voor recht dat het gerechtsdeurwaarderskantoor onrechtmatig jegens huurders van eiseres heeft gehandeld en het tweede deel dat het gerechtsdeurwaarderskantoor onrechtmatig jegens eiseres heeft gehandeld. Het eerste deel van de vordering strandt op het bepaalde in artikel 3:302 BW. Ook het tweede deel is niet toewijsbaar. Daarvoor is het volgende van belang. Indien het gerechtsdeurwaarderskantoor een huur-incassodossier sloot, werd de zaak “afgerekend” of “gedeclareerd”. Uitgangspunt was dat ingeval van afrekening de vordering was voldaan door de huurder. De kosten van deze - volgens eiseres - ten onrechte verrichte ambtshandelingen zijn dus ten laste van de huurders gekomen. Eiseres heeft in zoverre geen schade geleden. Daarom kan verder onbesproken blijven of en in hoeverre het deurwaarderskantoor bij (voormalige) huurders van eiseres kosten in rekening heeft gebracht waarvoor de wet geen grondslag biedt. Tussen partijen staat verder vast dat - in de relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer - van de voor gerechtsdeurwaarders geldende regels (inclusief de tarieven) mag worden afgeweken indien dat is overeengekomen. Het antwoord op de vraag of zodanige overeenkomst is tot stand gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Uit de gedragingen van partijen (weergegeven in het vonnis) zou kunnen worden afgeleid dat sprake was van overeenstemming tussen partijen over de gehanteerde werkwijze en de in rekening gebrachte kosten. Tegen deze achtergrond lag het op de weg van eiseres om haar stelling dat er tussen partijen – niettemin – géén (stilzwijgende) overeenstemming bestond (voldoende) te onderbouwen. Aan die verplichting is niet voldaan. Bij gebreke daarvan dient de rechtbank als vaststaand aan te nemen dat partijen de gehanteerde werkwijze (en het tarief) zijn overeengekomen. Verhuurster wordt in reconventie veroordeeld tot betaling van schadevergoeding omdat zij is tekortgekomen in haar verplichting tot het aanleveren van dossiers gedurende de opzegtermijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen