Rb. Amsterdam 25 november 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:8346
Burgerlijk procesrecht. Gedaagde heeft – na een eerder 843a Rv incident – een vordering tot vrijwaring ingediend. Op grond van artikel 210 lid 1 Rv moet een conclusie tot oproeping in vrijwaring worden genomen voor alle weren, zulks op straffe van verval van het recht daartoe (artikel 211 Rv). Deze regel moet aldus worden uitgelegd dat voldoende maar tevens noodzakelijk is dat de gedaagde die een derde in vrijwaring wil oproepen, dat doet in de eerste namens of door hem genomen schriftelijke conclusie (vgl. Hoge Raad 29 april 1994, NJ 1994/488). Naar het oordeel van de rechtbank moet deze regel in verband met de goede procesorde strikt worden toegepast. De eerste schriftelijke conclusie was de incidentele conclusie waarbij gedaagde haar vordering op grond van 843a Rv instelde. Op dat incident is – voorafgaand aan het instellen van de vordering tot oproeping in vrijwaring - bij vonnis beslist. Gedaagde is in haar (tweede) incidentele vordering daarom niet ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl