Rb. Amsterdam 18 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:770
Woonbootbewoners in Amsterdam-Noord hebben sinds de jaren ’70 stroken oevergrond van de gemeente in gebruik als tuin. Zij vorderen verklaring voor recht dat de vorderingen van de gemeente tot opheffing van het onrechtmatige gebruik van de oever als tuin zijn verjaard én dat zij door verjaring van de rechtsvordering tot revindicatie rechthebbende zijn geworden op een erfdienstbaarheid strekkende tot gebruik van de oever voor het hebben van tuinen. De vorderingen worden afgewezen. De woonboten zijn roerende zaken en kunnen daarom niet als heersend erf t.o.v. de oever gelden, waardoor een erfdienstbaarheid niet kan zijn ontstaan. Het gebruik van de oever hangt samen met de ligplaatsvergunning. Het gebruik moet worden gezien als een stilzwijgende bruikleenovereenkomst, zodat het gebruik van de oevers geen onrechtmatig gebruik was in de zin van artikel 3:114 BW. Hierdoor kan er geen sprake zijn van verjaring van de vordering tot revindicatie. De reconventionele vordering tot ontruiming van de tuinen wordt toegewezen voor zover het de strook betreft die de gemeente nodig heeft voor de herinrichting van de oeverzone. Voor de ontruiming van de rest van de tuinen is vooralsnog onvoldoende belang gebleken, nu de bewoners hebben aangegeven daarvoor een overeenkomst met de gemeente te zullen sluiten.
De uitspraak op rechtspraak.nl