Rb. Amsterdam 30 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7465
Verweerder voert met betrekking tot de handhaving van de kwaliteitseisen kinderopvang en peuterspeelzalen beleid dat is neergelegd in het zogenoemde Afwegingsmodel. Handhaving vindt plaats middels een stappenplan, waarbij stapsgewijs een zwaarder handhavingsmiddel wordt ingezet. Bij ernstige situaties kunnen stappen worden overgeslagen waarbij direct een zwaarder middel wordt ingezet, aldus het beleid. In casu is, na eerdere aanwijzingen, niet eerst een last onder dwangsom opgelegd, doch direct een exploitatieverbod afgegeven. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar de Memorie van toelichting bij de Wko (kamerstukken II, 2001-2002, 28 447, nr 3, blz 89), waarin voorbeelden worden gegeven van situaties waarin bestuursdwang niet (meer) zinvol is en waarbij een exploitatieverbod in de rede ligt. In het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd dat met de beoordeling in september 2012 van de door eiseres overgelegde stukken duidelijk werd, dat sprake was van een ernstig verslechterde situatie ten opzichte van de eerdere aanwijzingen. Op basis van de inspectierapporten van november en december 2012 en het feit dat in ieder geval sprake was van aanwijzingen die nog steeds niet waren opgevolgd, beoordeelde verweerder de situatie ondertussen zodanig, dat ingrijpen met het middel van exploitatieverboden noodzakelijk was. Dat geen gevaarlijke situatie is geconstateerd door de toezichthouder neemt volgens verweerder niet weg dat sprake is van een onverantwoorde situatie, die de gezondheid van de opgevangen kinderen kan benadelen en ook de pedagogische ontwikkeling van de kinderen belemmert. Gelet op deze motivering, de daarop ter zitting gegeven toelichting met concrete voorbeelden en de GGD-adviezen zelf, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam toegelicht, waarom hij is overgegaan tot de inzet van het exploitatieverbod.
De uitspraak op rechtspraak.nl