Rb. Amsterdam 2 januari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:74
De rechtbank overweegt dat zij in eerdere uitspraken ten onrechte heeft geoordeeld dat de opgeëiste persoon altijd dient te beschikken over een ziektekostenverzekering om te kunnen spreken van een rechtmatig verblijf met betrekking tot een beroep op artikel 6 OLW. Om te spreken van een rechtmatig onafgebroken verblijf geldt het volgende. Op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004/38 en artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan er, ten aanzien van het verblijfsrecht voor meer dan drie maanden, een onderscheid worden gemaakt tussen drie hoofdgroepen Unieburgers. Voor deze drie groepen gelden er verschillende vereisten. Economisch niet-actieven (lid 1 onder b) en studenten (lid 1 onder c) dienen over voldoende bestaansmiddelen te beschikken en daarnaast over een ziektekostenverzekering. Werknemers en zelfstandigen (lid 1 onder a) hoeven echter niet aan te tonen dat zij over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken, maar er moet dan wel sprake zijn van reële en daadwerkelijke arbeid. In onderhavige zaak heeft de opgeëiste persoon niet kunnen aantonen dat sprake is van een onafgebroken verblijf.
De uitspraak op rechtspraak.nl