Rb. Amsterdam 2 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6793
Wrakingsverzoek afgewezen. Geen handelen in strijd met artikel 6 lid 1 van het EVRMT. Hetgeen verzoeker daartoe heeft aangevoerd heeft zich voorgedaan in een andere zaak. Gesteld noch gebleken is dat de uitlating is gedaan door of namens de rechter die de onderhavige zaak in behandeling heeft. Geen bevooroordeelde en partijdige rechtbank door het niet (willen) volgen van de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU. Hetgeen door verzoeker daartoe is aangevoerd mist feitelijke grondslag. Het gaat om bevooroordeeldheid en partijdigheid van de rechter niet van de rechtbank als geheel. Verzoeker loopt met zijn argumenten vooruit op hetgeen hij voorziet wat de rechter zal gaan doen. Geen behandeling door een onbevoegde en onvoldoende gekwalificeerde rechter. Uitgaande van het vermoeden van onpartijdigheid van de rechter, het feit dat de behandeling van de zaak van verzoeker in het openbaar zal plaatsvinden, de rechtbank Amsterdam een bij wet ingesteld gerecht is, een rechter-plaatsvervanger met rechtspraak is belast en de rechter in het vierde jaar van haar opleiding is benoemd tot rechter-plaatsvervanger, wordt aan alle formele eisen voldaan en hetgeen door verzoeker is aangevoerd kan geen grond voor wraking opleveren. De laatste grond is niet onderbouwd en zegt niets over de vraag of de rechter jegens verzoeker vooringenomen is. De aangifte ex artikel 162 van het Wetboek van strafvordering, bestaat alleen indien de aangifteplichtige weet dat een misdrijf zich heeft voorgedaan en in de redelijke veronderstelling verkeert dat dit misdrijf kan worden gekwalificeerd als een misdrijf dat valt onder de reikwijdte van voormeld artikel. Dat volgens verzoeker sprake is van door ZIN gepleegde strafbare feiten is een conclusie van verzoeker, welke niet kan dienen als grondslag voor een redelijke veronderstelling bij de aangifteplichtige in voormelde zin.
De uitspraak op rechtspraak.nl