Rb. Amsterdam 13 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4381

Verzoek artikel 2:298 lid 1 BW tot ontslag bestuurders van een stichting en het treffen van voorlopige voorzieningen. De rechtbank wijst het verzoek af. Deze vergaande maatregelen kunnen en mogen slechts in sprekende gevallen worden toegepast, dat wil zeggen dat over de ontoelaatbaarheid van de gewraakte gedragingen van de bestuurder redelijkerwijs geen verschil van mening mag bestaan. In het licht van de onduidelijkheid over de bevoegdheid van de diverse facties die zeggenschap binnen LIA claimen en de rechtsgeldigheid van de door die facties genomen besluiten tot ontslag en benoeming van bestuurders van de Upper Brook Companies, kan niet worden geoordeeld dat het handelen van de bestuurders van Palint – dat in feite neerkomt op het voortzetten van haar taken als bewaarder van de vermogens op grond van de bestaande afspraken met PIAM – zonder meer strijdig is met de belangen van de investeerders en dus met de statuten van Palint. Nu evenmin is gebleken dat het gewraakte handelen van de bestuurders van Palint evident strijdig is met de wet en/of wanbeheer oplevert, bestaat ook geen, althans niet voldoende, grond voor de door de Upper Brook Companies en LIA verzochte schorsing en ontslag van de bestuurders van Palint, noch voor het treffen van de verzochte voorlopige voorzieningen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen