Rb. Amsterdam 25 maart 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:9198

Het verzoek heeft ten grondslag dat de afwijzende beslissing van de rechter op een verzoek om aanhouding vanwege de bijstand van een tolk afwijkt van duidelijke (wettelijke) regels dat een tolk moet worden ingeschakeld zodra de behoefte hieraan kenbaar wordt gemaakt. Hierdoor is de schijn van vooringenomenheid gewekt. Daar komt bij dat tijdens het opmaken van het proces-verbaal van wraking wederom bleek dat verzoeker niet begreep wat er op de zitting gebeurde. De advocaat van verzoeker heeft de rechter daarom voorgesteld haar beslissing met betrekking tot de aanhouding en het oproepen van een tolk te heroverwegen. Verzoeker zou het verzoek tot wraking dan intrekken. De rechter heeft echter haar eerdere beslissing de zaak niet aan te houden gehandhaafd. In het algemeen levert een processuele beslissing van een rechter geen grond op voor wraking. Uitgangspunt is immers dat een verzoek tot wraking niet is bedoeld om onwelgevallige rechterlijke beslissingen ter discussie te stellen. Slechts dan kan aanleiding bestaan vooringenomenheid te vermoeden indien de door de rechter genomen beslissing zo onbegrijpelijk is dat daardoor de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Hoewel niet is gebleken van daadwerkelijke vooringenomenheid bij de rechter, wordt de beslissing van de rechter om het verzoek van de raadsman om haar eerdere beslissing te heroverwegen niet in te willigen, in het licht van de wezenlijke betekenis van het recht op een tolk voor een eerlijk proces, zo onbegrijpelijk geacht dat daardoor de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de politierechter objectief gerechtvaardigd is. Verzoek toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen