Rb. Amsterdam 16 december 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:9081
Eiser heeft per 1 september 2010 het bedrag van de gewenste prestatiebeurs op € 0,00 gezet, als bedoeld in artikel 8.1, derde lid. Anders dan eiser wellicht denkt heeft hij niet afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering per 1 september 2010, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 3.17 van de Wsf 2000. De niet uitbetaalde prestatiebeurs wordt alsnog uitbetaald als eiser een afsluitend diploma haalt. De toekenning van de prestatiebeurs is eerst beëindigd per 1 september 2011. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor de berekening van het meerinkomen over 2011 de maanden januari tot en met augustus in beschouwing moeten worden genomen en dat hij over 2011 de bijverdiengrens heeft overschreden. Op grond van het tiende lid van artikel 3.17 van de Wsf 2000 wordt de vordering wegens meerinkomen op de toegekende prestatiebeurs in mindering gebracht. Deze bepaling voorkomt dat er sprake is van een dubbele vordering. Het is de bedoeling geweest van de wetgever dat de vordering vanwege meerinkomen ontstaat op het moment dat de studerende daadwerkelijk meerinkomen heeft. Dit leidt de rechtbank af uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2006/2007, 30 971, nr. 3, blz. 9). De stelling van eiser dat het niet logisch is dat hij bedragen moet terugbetalen die hij niet heeft ontvangen, faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl