Rb. Amsterdam 19 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:834
De vordering van eiser jegens gedaagde (strekkende tot vergoeding van gestelde schade) wordt afgewezen. Het uitbrengen van de dagvaarding door gedaagde jegens eiser in 2004 levert in de gegeven omstandigheden geen onrechtmatige daad van gedaagde jegens eiser op, noch misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. Voorts oordeelt de rechtbank dat de bekostiging door de Staat van de proceskosten van gedaagde in de procedure tussen gedaagde en eiser in de gegeven omstandigheden niet in strijd is met artikel 6 EVRM (fair trial en equality of arms). De reconventionele vordering tot opheffing van het door eiser op de woning van gedaagde gelegde conservatoir beslag, wordt toegewezen. Niet wordt toegewezen het door gedaagde in reconventie gevorderde verbod tot het leggen van toekomstige beslagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl