Rb. Amsterdam 29 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:781
Een kredietverstrekker heeft in 2008 aan gedaagde een lening verstrekt. Op enig moment ontstaat er een achterstand in terugbetaling daarvan en is de lening opgezegd. Kredietverstrekker vordert thans terugbetaling van de lening. Gedaagde stelt dat zij de kredietovereenkomst destijds niet is aangegaan, maar dat de handtekening onder de overeenkomst is vervalst door haar vader en dat haar vader ook de persoon is die van de lening heeft geprofiteerd. De rechtbank oordeelt dat de kredietverzekeraar weliswaar onvoldoende bewijs heeft aangedragen om vast te kunnen stellen dat de handtekening onder de kredietovereenkomst van gedaagde afkomstig is, maar dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan en moet worden aangenomen dat gedaagde vooraf van de gang van zaken op de hoogte is geweest en dat zij ook zelf aan de totstandkoming van de kredietovereenkomst heeft meegewerkt. Geoordeeld wordt daarom dat gedaagde toch voor de terugbetaling kan worden aangesproken. Vordering wordt daarom toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl