Rb. Amsterdam 3 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6895

eiser is geschorst als bestuurder van gedaagde sub 1. Hij vordert dat hij weer wordt toegelaten tot zijn werkzaamheden, dat aan alle betrokkenen wordt bericht dat hij ten ontrechte is geschorst, dat de AvA waarop onder meer zijn ontslag is geagendeerd wordt uitgesteld en dat gedaagden worden veroordeeld de onderhandelingen voort te zetten. Geoordeeld wordt dat de oproeping voor de AvA rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en dat geen grond bestaat deze op te schorten. Alhoewel de wijze waarop de schorsing heeft plaatsgevonden in strijd wordt geacht met artikel 2:8 BW, weegt het belang van eiser bij wedertewerkstelling voor de duur van twee weken niet op tegen het belang van gedaagden bij handhaving van de schorsing, die volgens gedaagden is ingegeven door een onherstelbare vertrouwensbreuk, totdat op het besluit tot schorsing en het voorgenomen ontslag van eiser door de AvA is beslist. Daarbij speelt een rol dat enig aandeelhouder van gedaagde sub 1 gedaagde sub 2 is en dat daarmee niet aannemelijk is dat niet tot het ontslag van eiser zal worden besloten. De vorderingen van eiser worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen