Rb. Amsterdam 27 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6467
Bank verleent krediet aan dochteronderneming. Afgesproken wordt dat als zekerheid de vorderingen van de dochter zullen worden verpand, alsmede dat een hypotheekrecht op panden van de moedermaatschappij zullen worden gevestigd. Nadat de dochteronderneming is gefailleerd blijkt geen verpanding te hebben plaatsgevonden. De hypotheekrechten onder de moederonderneming zijn wel gevestigd. De moeder stelt dat, ingeval die worden uitgewonnen, zij krachtens art. 6:12 BW in de rechten van de bank wordt gesubrogeerd. De aldus verkregen vordering is waardeloos omdat geen verpanding heeft plaatsgevonden. De moederonderneming vindt dat de bank, door haar niet te wijzen op de gevolgen van niet-verpanding, aansprakelijk is voor de aldus door haar geleden schade. De rechtbank wijst de vordering af.
De uitspraak op rechtspraak.nl