Rb. Amsterdam 15 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6068

Eiseres ontvangt een persoonsgebonden budget (pgb) voor een zorgzwaartepakket (zzp) op grond van de AWBZ. Wegens beleidswijzigingen geldt per 1 januari 2009 dat wanneer na deze datum een zzp met de leveringsvorm pgb op grond van de AWBZ wordt afgegeven, huishoudelijke verzorging dient te worden gefinancierd uit de AWBZ. Is de indicatie voor een zzp met pgb afgegeven vóór 1 januari 2009 dan geldt nog de regel dat hulp bij het huishouden dient te worden gefinancierd door de Wmo. Het gaat hierbij om een doelgroep van zorgvragers die een indicatie voor verblijf in een instelling hebben gekregen, echter middels een pgb nog thuis wonen en zelf hun zorg kunnen inkopen. Eiseres behoort tot deze doelgroep. Daarom ontvangt eiseres een ophoging van haar pgb van € 3.332,- voor hulp bij het huishouden ten laste van de AWBZ. Er mag van eiseres worden verwacht dat zij deze ophoging ook besteedt aan de kosten van hulp bij het huishouden. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval niet duidelijk is of eiseres met de ophoging kan voorzien in haar volledige behoefte aan hulp bij het huishouden, of dat zij wellicht is aangewezen op meer zorg dan zij met de ophoging kan inkopen. In dat geval ligt op de gemeente die de Wmo uitvoert een onderzoeksplicht om te bekijken of eiseres in haar beperkingen voldoende is gecompenseerd met de toegekende ophoging. Mocht de ophoging niet toereikend zijn, dan dient eiseres aanvullend hulp bij het huishouden op grond van de Wmo te krijgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken