Rb. Amsterdam 10 juni 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5424

Klant komt bij wijziging van hypotheekovereenkomst in februari 2009 met de bank overeen dat de rente wordt berekend op 1-maands euribortarief, vermeerderd met een opslag van 1,25%. Na drie jaar verhoogt de bank het opslagpercentage naar 2,25%. Klant stemt met deze eenzijdige verhoging niet in. De klant stelt een groot aantal vorderingen in waarmee wordt beoogd de per 1 juni 2012 doorgevoerde verhoging van de opslag ongedaan te maken. Voor beantwoorden van de vraag of partijen een vast opslagpercentage voor de gehele duur van de overeenkomst zijn overeengekomen of een opslagpercentage dat gedurende de overeenkomst kan worden gewijzigd, wordt de overeenkomst uitgelegd. In de gegeven omstandigheden wordt aan de bewoordingen van de overeenkomst belangrijk gewicht toegekend. Uit de tekst leidt de kantonrechter af dat de bank gerechtigd is het opslagpercentage gedurende de overeenkomst eenzijdig te wijzigen. De desbetreffende clausule is geen kernbeding. Na afweging van allerlei omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat het wijzigingsbeding weliswaar voor de klant nadelig is, maar gelet op de concrete gevolgen van de wijziging en de mogelijkheid voor de klant een andere contractsvorm te kiezen is van een onredelijk beding geen sprake. Ten tijde van het aangaan van de wijziging in februari 2009 en de verhoogde opslagpercentage per 1 juni 2012 was de wijziging van de Wet op de Financiële Markten (Staatsblad 2012, 588) nog niet in werking, zodat de verhoging van het opslagpercentage niet aan die wetswijziging wordt getoetst. De vordering van de klant wordt afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen