Rb. Amsterdam 16 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:4646

IPR, EEX-Vo, artt. 6 en 9. Vorderingen van gepretendeerde Nederlandse verzekerde en Poolse verzekeringnemer tegen Nederlandse tussenpersoon en Poolse verzekeraar. Uit (de ratio van) de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 4 maart 1982 (ECLI:NL:XX:1982:AB8687) volgt dat de bevoegdheid van de rechter om uitspraak te doen over vragen betreffende een overeenkomst ook de bevoegdheid omvat, het bestaan en de inhoud van de overeenkomst te beoordelen. Volgt uit bevoegdheid tussen Nederlandse verzekerde en Poolse verzekeraar ook bevoegdheid voor het geschil tussen de Poolse verzekeringnemer en Poolse verzekeraar? De rechtbank acht dat voorshands juist, maar gaat niet over tot het stellen van prejudiciële vragen, omdat in dit geschil de rechtsmacht ook op artikel 6 EEX-Vo gebaseerd kan worden. In gegeven omstandigheden bestaat er een voldoende nauwe band tussen de vorderingen op de tussenpersoon en op de verzekeraar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken