Rb. Amsterdam 18 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:3772
Wet op het Overleg Huurders Verhuurder (WOHV). Bewonerscommissie verzoekt besluit tot verkoop van 99 huurwoningen in wooncomplex niet uit te voeren. Voldoende aannemelijk is geworden dat de bewonerscommissie aan de eisen van de WOHV voldoet. Verhuurder voert aan dat de Bewonerscommissie niet tijdig een schriftelijk advies aan de verhuurder hebben gegeven, zodat zij niet meer tegen het besluit kunnen opkomen. Verhuurder heeft onzekerheid laten bestaan over wanneer verlengde termijn voor advies eindigde, zodat verweer wordt verworpen. Verhuurder voert aan dat Bewonerscommissie het verzoek het besluit tot verkoop niet uit te voeren niet tijdig bij de kantonrechter heeft ingediend. De wet stelt voor het indienen van een verzoek geen specifieke termijn. Kantonrechter oordeelt dat uit oogpunt van rechtszekerheid voor zowel huurder als verhuurder een redelijke termijn heeft te gelden. Welke termijn redelijk is, is afhankelijk van omstandigheden van het geval. Na afweging van 8 omstandigheden acht de kantonrechter het eerst na 7 maanden indienen van een verzoek in dit geval niet binnen een redelijke termijn ingediend. De kantonrechter geeft in een overweging ten overvloede een toetsing van het besluit aan artikel 8 lid 3 sub b WOHV.
De uitspraak op rechtspraak.nl