Rb. Amsterdam 1 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1646

WWB. Intrekking en terugvordering. Boete en overgangsrecht. Verweerder was bevoegd de bijstandsuitkering van eiseres in te trekken en gehouden deze terug te vorderen omdat eiseres geen melding heeft gemaakt van door haar verrichte oppaswerkzaamheden en (financiële) ondersteuning door haar kinderen. Hierdoor is sprake van oncontroleerbare inkomsten en kan het recht op bijstand niet meer worden vastgesteld. De opgelegde boete kan niet in rechte standhouden. Verweerder heeft ook over de periode vóór 1 januari 2013 een boete van 100% van het benadelingsbedrag opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank verzet hetgeen is bepaald in de artikelen 15, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), 7, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), 1 van het Wetboek van Strafrecht en 5:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich ertegen dat een gedraging wordt bestraft met een sanctie die hoger is dan de sanctie die gold op het tijdstip waarop het feit of de omstandigheid zich voordeed.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken