Rb. Amsterdam 23 april 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA1564

De kantonrechter heeft de huurovereenkomst tussen huurder en verhuurder ontbonden en huurder bij verstek veroordeeld tot ontruiming van de woning. Huurder is in verzet gekomen tegen dat vonnis. Bij huurder is eerder twee keer een politie-inval gedaan omdat hij werd verdacht van het aanwezig hebben van radio-actief materiaal, in strijd met de Kernenergiewet en het Besluit stralingsbescherming. Dat materiaal was onderdeel van een grote collectie vliegtuigonderdelen, afkomstig van vliegtuigen uit de Tweede Wereldoorlog. Bij de twee huiszoekingen is een groot aantal objecten in beslag genomen. Huurder is door de strafrechter grotendeels vrijgesproken. De kantonrechter heeft de vorderingen van de verhuurder tot ontbinding en ontruiming toegewezen, kennelijk omdat hij heeft aangenomen dat huurder ook na de eerste huiszoeking nog radio-actief materiaal in de woning heeft opgeslagen. In kort geding vordert huurder schorsing van de tenuitvoerlegging (ontruiming) van het vonnis van de kantonrechter, totdat in de verzetprocedure is beslist. De voorzieningenrechter wijst die vordering toe, omdat de kantonrechter niet beschikte over het strafvonnis en huurder geen verweer heeft kunnen voeren. Aannemelijk is dat de kantonrechter anders had geoordeeld als hij op de hoogte was geweest van het vonnis van de strafrechter en van het verweer van huurder. Daarbij komt dat verhuurder onvoldoende belang heeft om vóór de uitspraak in de verzetprocedure tot ontruiming over te gaan. Op dit moment bevinden zich geen radio-actieve materialen in de woning nu die in beslag zijn genomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen