Rb. Amsterdam 13 februari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ8496
Vader heeft zoon onterfd en dochter als enig erfgenaam benoemd. Geschil over de omvang van de legitimaire massa en daarmee over de omvang van de legitieme portie van de zoon. Zoon vraagt inzage bescheiden om aan te kunnen tonen dat erflater aan dochter schenkingen heeft gedaan. Partijen verschillen van mening over de vraag of giften van de erflater aan de dochter die langer dan vijf jaar voor het overlijden van erflater zijn gedaan, behoren tot de legitimaire massa. Artikel 67, aanhef en onder d van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat bij de berekening van de legitieme portie giften door de erflater aan een afstammeling gedaan te allen tijde in aanmerking worden genomen, mits deze afstammeling legitimaris van erflater is. Nu de dochter op grond van artikel 4:63, tweede lid BW in samenhang met artikel 4:10 eerste lid onder a BW legitimaris en afstammeling is van erflater worden de giften van erflater aan de dochter bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking genomen ongeacht wanneer deze zijn gedaan. Stelplicht ten aanzien van giften in de zin van artikel 4:67 BW Verhouding executeurskosten versus vereffeningskosten. Successierecht dient niet bij berekening van de legitimaire massa worden meegenomen. (4:7 lid onder e BW en 4: 65 BW)
De uitspraak op rechtspraak.nl