Rb. Amsterdam 8 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ4216
De nabestaandenuitkering van verzoekster, woonachtig in Turkije, is per 1 januari 2013 met 40% verlaagd op grond van het zogenoemde woonlandbeginsel. Verzoekster heeft om een voorlopige voorziening gevraagd, vanwege deze achteruitgang in inkomsten. Aannemelijk is geworden dat door het besluit voor haar een actuele financiële noodsituatie kan ontstaan. Verzoekster heeft zich beroepen op diverse internationaalrechtelijke bepalingen, waaronder artikel 6 van het Besluit 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije. De voorzieningenrechter heeft zich gezien de principiele en complexe rechtsvragen die hier spelen, beperkt tot een belangenafweging. De belangen van verzoekster worden door het besluit niet zodanig bedreigd dat het door verweerder te dienen algemeen belang daarvoor moet wijken. Niet is gebleken dat verzoekster in een bedreigende schuldenpositie is komen te verkeren. Ook wist zij sinds juli 2012 dat haar uitkering zou worden verlaagd. Tot slot kan het geschil binnen afzienbare termijn in daarvoor geschikte boedemprocedure worden behandeld. Het verzoek om een voorlopige voorziening is dan ook afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl