Rb. Amsterdam 6 februari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ1143

Verweerder heeft afdoende aannemelijk gemaakt dat pas in de bezwaarfase geoordeeld kon worden dat geen gevaar meer bestond dat de door eiser aangevraagde bouwvergunning mede gebruikt zou worden om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare, voordelen te benutten. Verweerder heeft dan ook de weigeringsgrond in artikel 44a, eerste lid, onder a, van de Woningwet in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob, aan de oorspronkelijke afwijzing van de aanvraag bouwvergunning ten grondslag kunnen leggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het primaire besluit niet onrechtmatig is genomen en dat dit dan ook niet is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft dus geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, over te gaan tot vergoeding van de door eiser in bezwaar gemaakte proceskosten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen