Rb. Amsterdam 11 december 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8890
Ingevolge het regelend recht van het BW is, zoals eiseres terecht betoogt, een schuldenaar ondanks een beroep op opschorting in verzuim geraakt indien de aan dat beroep ten grondslag liggende vordering achteraf niet blijkt te hebben bestaan. In het onderhavige geval is de rechtbank evenwel van oordeel dat partijen in de koopovereenkomst een daarvan afwijkende regeling zijn overeengekomen. gedaagde heeft uit de belastinggarantie redelijkerwijs mogen afleiden - en eiseres heeft moeten begrijpen - dat gedaagde niet zou worden geconfronteerd met de gedefinieerde belastingschulden en ook geen last zou hebben van fiscale acties in dat kader. Dit vloeit voort uit de aard, strekking en functie van een belastinggarantie in het handelsverkeer.