Rb. Amsterdam 16 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7674
Het LBIO verzoekt, namens de moeder, die woonachtig is in het Verenigd Koninkrijk, te bepalen dat de vader een onderhoudsbijdrage dient te betalen voor zijn dochter. De vader is woonachtig in woonplaats 1. De rechtbank knoopt hierbij voor de rechtsmacht en de bevoegdheid van de rechtbank aan bij hetgeen bepaald is in de Verordening van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008, nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Op grond van de Uitvoeringswet Internationale Inning van Levensonderhoud van 26 oktober 2011 is het LBIO bevoegd een dergelijk verzoek in te dienen zonder bijstand van een advocaat. In deze zaak was de dochter ten tijde van het verzoek reeds jong-meerderjarig waardoor het LBIO enkel bevoegd was voor die periode van het verzoek dat betrekking had op de minderjarigheid van de dochter aangezien het LBIO het verzoek namens de moeder indiende en de moeder enkel voor die periode kon worden aangemerkt als de wettelijk vertegenwoordiger van de onderhoudsgerechtigde. Voor het toepasselijke recht dient te worden gekeken naar het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. De rechtbank oordeelt dat op grond van dit protocol het Nederlandse recht van toepassing is. Het LBIO is op grond van artikel 1:403 BW enkel ontvankelijk voor dat deel van het verzoek dat betrekking heeft op de periode dat uiterlijk vijf jaar voor het verzoek ligt en niet voor de periode daarvoor. De rechtbank oordeelt vervolgens dat het LBIO de behoefte van de dochter onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft het LBIO dan ook deels niet bevoegd verklaard, deels niet-ontvankelijk verklaard en deels heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl