Rb. Amsterdam 26 juni 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:4617
Fraude bij Amerikaanse Ahold-dochter USF. Collectieve actie van de VEB tegen Nederlandse maatschap van accountants die (achteraf te rooskleurige) geconsolideerde jaarrekeningen van Ahold van een goedkeurende verklaring heeft voorzien. Bevoegdheidsincident. Gevolgen van Amerikaanse Settlement Agreement en Final Judgment and Order of Dismissal voor rechtsmacht Nederlandse rechter. Voorvragen in de hoofdzaak. Rechtbank neemt zich voor een van die voorvragen voor te leggen aan de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing: kan de VEB als rechtspersoon in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW de verjaring van de in die bepaling bedoelde rechtsvordering op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW stuiten en, zo ja, sorteert die stuiting effect ten behoeve van alle in artikel 3:305a lid 1 BW bedoelde andere personen dan wel slechts ten behoeve van de leden van de VEB?
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 8 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 222 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 337 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 392 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 2:345 BW2
- Artikel 2:392 BW2
- Artikel 6:96 BW6
- Artikel 6:155 BW6
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 6:198 BW6
- Artikel 3:305a BW3
- Artikel 3:317 BW3