Rb. Amsterdam 20 december 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY7038

Een verdachte in een strafzaak doet, samen met een aantal aan hem gelieerde vennootschappen, een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Het verzoek richt zich tot de Staat en DNB. Verzoekers zijn gedeeltelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een rechtmatig belang. Voor zover verzoekers wel ontvankelijk zijn wordt het verzoek afgewezen. Rechtbank: Wanneer een feitencomplex onder de strafrechter is of zal worden gebracht, en ten aanzien van dat feitencomplex vragen voorliggen tot beantwoording waarvan de strafrechter bij uitstek is toegerust en geroepen, de strafrechter het primaat heeft ten aanzien van dat feitencomplex. Dat betekent dat, zolang ten aanzien van dat feitencomplex nog geen onherroepelijke uitspraak is gedaan door de strafrechter, de civiele rechter zich dient te onthouden van bemoeienis. Ware dit anders, dan dreigt het gevaar dat het strafproces, dat een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent, op onaanvaardbare wijze door de civiele procedure wordt doorkruist. Zodra evenwel sprake is van een onherroepelijke uitspraak van de strafrechter, staat het de civiele rechter vrij om, in het kader van een vordering op grond van onrechtmatige overheidsdaad, een civielrechtelijk oordeel te geven over datzelfde feitencomplex. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dat betrekking heeft op feiten die (vooralsnog) onder het primaat van de strafrechter vallen, is met andere woorden voorbarig. Zoals hiervoor is overwogen bestaan daartegen zwaarwichtige bezwaren en kan het worden aangemerkt als misbruik van procesrecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen