Rb. Amsterdam 1 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX9280
Verweerder heeft zich, gelet op het ontbreken van een overtreding, terecht niet bevoegd geacht handhavend op te treden tegen de bouwhoogte van de uitbouw op de eerste verdieping en de hemelwaterafvoer. Dat de (hoogte van de) vergunde uitbouw ter plaatse in realiteit anders in verhouding staat tot zijn omgeving dan op de bouwtekening is weergegeven, maakt niet dat daarmee in afwijking van hetgeen is vergund is gebouwd. Nu de betreffende hemelwaterafvoer geen deel uitmaakt van de bouwvergunning, en de wijze waarop het hemelwater wordt afgevoerd niet is gewijzigd ten opzichte van de oude situatie, is er ook geen sprake van bouwen in afwijking van een bouwvergunning. Niet in geschil is dat de luchtafvoerpijp en het daklicht in afwijking van de verleende bouwvergunning zijn gebouwd en dat verweerder ter zake van die overtredingen bevoegd was om handhavend op te treden. Omdat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder het handhavingstraject daadwerkelijk in gang heeft gezet door een besluit, strekkende tot handhaving, te nemen, zoals is bepaald in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt deugdelijk is gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl