Rb. Amsterdam 17 juli 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3191
Versnelde afbouw van ID-loonkostensubsidie. Welzijnsinstellingen. De rechtbank acht de geboden termijn van ruim vijf maanden niet redelijk omdat eiseressen 2 en 3 voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet eerder dan na de ontvangst van het primaire besluit konden overgaan tot het nemen van maatregelen en daardoor niet (alle) betrokken medewerkers binnen de termijn hebben kunnen ontslaan. Gelet op het bepaalde in artikel 4:51, tweede lid, van de Awb dient verweerder de subsidie voor het resterende deel van de termijn te verlenen overeenkomstig de beleidsregels zoals die golden voor het besluit van 19 juli 2011 tot wijziging ervan. De omstandigheid dat eiseressen 2 en 3 niet in aanmerking komen voor een overbrugging op grond van het door verweerder geformuleerde flankerend beleid dat is neergelegd in de Regeling, doet aan het voorgaande niet af. Artikel 4:51, tweede lid van de Awb, bepaalt in een situatie als hier aan de orde immers imperatief dat de subsidie voor het resterende deel van de redelijke termijn dient te worden verleend. Voor eiseres 1 geldt dat de geboden termijn toereikend moet worden geacht om de betrokken medewerkers te ontslaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl