Rb. Amsterdam 8 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW8227
De voorzieningenrechter concludeert op grond van wat de wetgever met de invoering invoeren van de maatregel heeft beoogd, dat het alcoholslotprogramma door de wetgever als herstelmaatregel is bedoeld. Het met de maatregel beoogde doel is dat bestuurders een scheiding weten aan te brengen tussen het gebruik van alcohol en het besturen van een motorrijtuig. De voorzieningenrechter ziet, onvoldoende grond voor het voorlopig oordeel dat het alcoholslotprogramma als leedtoevoegend en daarmee als "criminal charge" dient te worden gekwalificeerd. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij bestuurder is geweest van een motorrijtuig waarvoor geen rijbewijs is vereist. Gezien bijlage 1, onder B, onderdeel III van de Regeling mist het vermoeden als bedoeld in artikel 130 van de WVW daarom de juiste grondslag, aldus verzoeker. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan deze grond niet slagen. Ingevolge art. 1, eerste lid onder e, sub a, van de WVW wordt onder bromfiets verstaan: motorrijtuig op twee wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor (…). De snorfiets van verzoeker voldoet aan bovengenoemde definitiebepaling. Ingevolge artikel 107 van de wegenverkeerswet is voor een motorrijtuig een rijbewijs vereist. In artikel 108 van de WVW is voor een aantal bromfietsen een uitzondering gemaakt voor wat betreft het rijbewijsvereiste. Het motorrijtuig zoals door verzoeker bereden behoort niet tot de uitzonderingen genoemd in art. 108 van de WVW, omdat deze niet onder art. 20b van de WVW valt. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat de maatregel zijn doel voorbij schiet, aangezien hij is aangehouden toen hij onder invloed van alcohol een snorfiets bereed, en hij nog steeds gerechtigd is een snorfiets te berijden terwijl zijn personenauto een alcoholslot heeft. Verzoeker stelt juist van zijn snorfiets gebruik te hebben gemaakt vanwege de gevaren van alcoholgebruik en het rijden in een personenauto. Naar het voorlopig oordeel doet deze omstandigheid niet af aan verweerders gehoudenheid verzoeker een alcoholslotprogramma op te leggen aangezien met deze maatregel wordt beoogd om degene die gekwalificeerd kan worden als zware drinker te leren een scheiding aan te brengen tussen het gebruik van alcohol en het besturen van een motorrijtuig. Nu verzoeker onder invloed van alcohol een snorfiets, zijnde een motorrijtuig, heeft bereden kan worden verondersteld dat verzoeker onvoldoende in staat is een scheiding aan te brengen tussen het gebruik van alcohol en het besturen van een motorrijtuig, zodat deze omstandigheid geen aanleiding voor verweerder heeft hoeven zijn om van een alcoholslotprogramma af te zien. Nu verzoeker als bestuurder van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist, is aangehouden met een ademalcoholgehalte van 625ug/l is het CBR gehouden om verzoeker een alcoholslotprogramma op te leggen. Gelet op de regelgeving bestaat voor verweerder geen ruimte om daarvan te mogen afwijken. De gevolgen die dit heeft voor het stucadoorsbedrijf van verzoeker kunnen dan ook niet worden meegenomen in de toetsing van het besluit door de voorzieningenrechter.
De uitspraak op rechtspraak.nl