Rb. Amsterdam 27 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW5007
Verweerder heeft niet op de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning beslist binnen de wettelijke termijn voor het behandelen van aanvragen binnen de reguliere voorbereidingsprocedure. Verweerder is op grond van art. 3, lid 7, aanhef en onder c, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan bevoegd ontheffing te verlenen van de eis dat per bestemmingsvlak slechts één woning is toegestaan. Volgens verweerder kan de gevraagde omgevingsvergunning niet van rechtswege zijn verleend, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de genoemde binnenplanse ontheffing. Daarom is het bouwplan uitsluitend te vergunnen op grond van art. 2.12, lid 1, onder a, onder 3°, van de Wabo, hetgeen betekent dat op grond van art. 3.10, lid 1, aanhef en onder a, van de Wabo de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb) van toepassing is op de voorbereiding van de beschikking op die aanvraag. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de beantwoording van de vraag of hij voldoet aan de voorwaarden voor de binnenplanse ontheffing niet langer ter zake doet, nu verweerder niet binnen de termijn van de reguliere voorbereidingsprocedure heeft beslist. Het feit dat de vergunning, die ziet op activiteiten als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder a en b van de Wabo, met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking kan worden verleend op grond van art. 2.10, lid 1, onder c, in samenhang met art. 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 1° en art. 2.11, lid 2, van de Wabo, betekent dat de aanvraag in beginsel met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure wordt behandeld. Daarom was verweerder gehouden om binnen de termijn van de reguliere procedure te toetsen of aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Reeds omdat verweerder dat in eisers geval heeft nagelaten, is de vergunning van rechtswege tot stand gekomen. Naar het oordeel van de Rb. heeft eiser er terecht op gewezen dat het verweerder niet vrijstond om buiten de termijn voor het nemen van een beslissing binnen de reguliere voorbereidingsprocedure te beoordelen of al dan niet aan de voorwaarden van de binnenplanse ontheffing werd voldaan. Anders dan verweerder ter zitting desgevraagd heeft betoogd, biedt het systeem van de Wabo, in samenhang met afdeling 4.3.3.3 van de Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) geen ruimte om na afloop van de termijn van de reguliere voorbereidingsprocedure nog te beoordelen of de vergunning eigenlijk wel met toepassing van die procedure had kunnen worden verleend.
De uitspraak op rechtspraak.nl