Rb. Amsterdam 26 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0634

Schipper valt aan boord van visserskotter tijdens de wacht in slaap en mist op korte afstand een boorplatform. Aan de schipper worden drie feiten verweten, namelijk: de poging tot vernieling van het boorplatform (in de opzet- en schuldvariant), overtreding van een aantal voorschriften van het Verdrag inzake de Internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 en overtreding van artikel 43, tweede lid, Mijnbouwwet. De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van de drie feiten en eist een werkstraf voor de duur van 180 uren, een geldboete van € 2.000,- twee geldboetes van € 500,- en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. De politierechter is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging van het eerste feit, omdat dit feit valt onder de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet. De politierechter spreekt verdachte vrij van poging tot vernieling van het boorplatform wegens ontbreken van opzet. Ook vrijspraak van de poging tot vernieling van het boorplatform door aanmerkelijk onachtzaam koers uit te zetten, nu dat geen opzetdelict is en voor een strafbare poging wel opzet is vereist. De politierechter ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het tweede feit, omdat het genoemde verdrag volgens het Besluit voor toepassing van de Internationale bepalingen op deze situatie - waarbij sprake is van het varen buiten de Nederlandse territoriale wateren met een schip onder Duitse vlag dat in Duitsland is geregistreerd - niet van toepassing is. Wel veroordeling voor overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 43, tweede lid, van de Mijnbouwwet. De politierechter legt een geldboete op van € 1.000,-..

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen