Rb. Amsterdam 10 november 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BW0679

Vuurwerkzaak; Teweeg brengen van een ontploffing; Objectieve gevaarlijkheid; Voorbereidingshandelingen; Partiële vrijspraak. Nu aan verdachte in het eerste deel ten laste wordt gelegd dat hij zeven pijpbommen als bedoeld in de WWM voorhanden heeft gehad, kunnen deze pijpbommen niet eveneens worden gerekend tot consumentenvuurwerk, zoals volgt uit het tweede deel. Derhalve is sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid ten aanzien van de cumulatief ten laste gelegde feiten en dient hiervoor een partiële vrijspraak te volgen. Verdediging heeft voorts onder meer aangevoerd dat voor het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, de objectieve gevaarlijkheid van de aangetroffen voorwerpen dient te worden vastgesteld ( vergelijk: HR 15 april 1997, NJ 1997, 653 en LJN BG7763). Daar is volgens de verdediging niet aan voldaan, nu het hiertoe opgemaakte proces-verbaal van bevindingen onvoldoende onderbouwd is en een NFI-rapport ontbreekt. Dat oordeel deelt de rechtbank niet. De rechtbank acht de betreffende processen-verbaal voldoende duidelijk nu hieruit immers onomstotelijk blijkt dat de aangetroffen voorwerpen pijpbommen zijn en dat deze strafbaar zijn gesteld in de WWM. Verdediging stelt voorts dat geen sprake is van voorbereidingshandelingen van een misdrijf zoals genoemd in artikel 157 SR, nu niet kan worden voldaan aan de hiertoe noodzakelijk geachte drietal criteria (vergelijk: HR 20 februari 2007, LJN AZ0213; HR 7 juli 2009, NJ 2009, 401). Naar het oordeel van de rechtbank wordt echter, gelet op onder meer de conclusie van het NFI-rapport hierover en de verklaring van verdachte zelf, wel degelijk aan voornoemde criteria voldaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen