Rb. Amsterdam 12 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BU3549

Eiser vordert dat gedaagde, als erfgename, de kosten van de uitvaart van erflater betaald. Gedaagde stelt daartoe niet gehouden te zijn, omdat zij de nalatenschap van erflater verworpen heeft. (Stilzwijgende) aanvaarding in de zin van artikel 4:192 BW kan slechts dan aan de orde zijn indien gedaagde zich als een erfgenaam heeft gedragen. In dit verband stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde zich uit eigener beweging tot eiser heeft gewend om de zich bij eiser bevindende resterende spullen van erflater af te halen. Voorts stelt de rechtbank vast dat gedaagde zich uit eigener beweging tot de ING Bank heeft gewend om nadere informatie met betrekking tot de rekening van erflater te verkrijgen en dat zij na het verkrijgen van deze informatie de bank heeft bericht geen erfgenaam te zijn, zoals door haar ter zitting uiteengezet. De rechtbank kan bij gebreke van enige toelichting van de zijde van gedaagde deze gedragingen niet rijmen met haar ter zitting gegeven verklaring dat zij in geen geval iets uit de nalatenschap van erflater wenste te hebben. Daar komt bij dat gedaagde aanvankelijk heeft betwist spullen bij eiser op voornoemde datum afgehaald te hebben. Ter zitting heeft gedaagde evenwel erkend dat zij vergezeld van haar zuster bij eiser is langsgegaan om enkele spullen op te halen en dat het wel haar handtekening betreft die onder verklaring is gezet. Zij heeft aldus over zaken van erflater beschikt. De rechtbank is van oordeel dat voormelde gedragingen in hun volgorde en samenhang bezien en bij gebreke van enig voorbehoud van de zijde van gedaagde, de conclusie rechtvaardigen dat gedaagde zich daarmee ondubbelzinnig als erfgenaam heeft gedragen en dat daaruit blijkt van de wil tot zuivere aanvaarding van de nalatenschap.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen