Rb. Amsterdam 7 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7214
De rechtbank overweegt dat in geval van een executieoverlevering alleen de duur van de opgelegde vrijheidsstraf van belang is. De in de artikelen 2, eerste lid, en 7, eerste lid, onder b, OLW tot uitdrukking gebrachte eis van een vrijheidsstraf voor de duur van ten minste vier maanden heeft betrekking op de duur van de opgelegde straf en niet op de duur van het daarvan (nog) ten uitvoer te leggen deel. De rechtbank doet geen uitspraak over het verdisconteerde deel van de opgelegde vrijheidsstraffen. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl