Rb. Amsterdam 22 april 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9511

De rechtbank beslist tot oplegging van een PIJ-maatregel, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. De PIJ-maatregel dient te worden opgelegd indien deze in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Daarbij staat voorop dat vrijheidsontneming slechts als uiterste maatregel wordt gehanteerd en voor de kortst mogelijk passende duur, als bedoeld in artikel 37 sub b van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De rechtbank constateert evenwel – hoewel het gaat om door verdachte gepleegde misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten - dat sprake is van een relatief geringe ernst van de bewezen feiten in verhouding tot de zwaarste sanctie in het jeugdsanctie-arsenaal, de PIJ-maatregel, waarbij ook meeweegt dat verdachte een first offender is en de volgens psychiater Duits gestelde mogelijkheid dat behandeling niet blijkt aan te slaan. Uit de deskundigenrapportages wordt duidelijk dat op dit moment de noodzaak tot een gesloten behandelsetting aanwezig is en andere alternatieven ontbreken. In gesloten setting kan verdachte de noodzakelijke behandeling en begeleiding worden geboden ten aanzien van zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis. Vanuit dat kader kan een resocialisatietraject worden gestart, welk traject in het kader van de tweede helft van de PIJ-maatregel in het kader van een voorwaardelijke PIJ zou dienen plaats te vinden. Op deze wijze wordt in het geval van verdachte recht gedaan aan het uitgangspunt om vrijheidsbeneming voor een zo kort mogelijk passende duur op te leggen. Tevens wordt rekening gehouden met de door psychiater Duits gestelde mogelijkheid dat behandeling niet blijkt aan te slaan, in welk geval voor een alternatief gekozen moet worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen