Rb. Amsterdam 23 december 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BP2360
Executiegeschil naar aanleiding van een bij verstek gewezen vonnis van de bodemrechter. Eiseres, die in een psychiatrische inrichting verblijft, heeft haar bank een volmacht gegeven om haar appartement onderhands te verkopen teneinde een executieveiling te voorkomen. Vervolgens hebben een medewerker van de bank van eiseres en gedaagde met elkaar gesproken over een onderhandse verkoop van het appartement tegen de executiewaarde. Gedaagde stelt dat hierbij een koopovereenkomst tot stand is gekomen. De bank (gevolmachtigde van eiseres) ontkent dit. In reactie hierop heeft gedaagde conservatoir leveringsbeslag gelegd en een bodemprocedure jegens eiseres aanhangig gemaakt, waarin hij onder meer heeft gevorderd dat eiseres wordt veroordeeld om mee te werken aan de levering van het appartement. Eiseres - die de dagvaarding niet heeft ontvangen als gevolg van haar (bij gedaagde bekende) verblijf in een inrichting - is bij verstek veroordeeld tot levering van het appartement aan gedaagde. Inmiddels heeft de bank het appartement aan een derde verkocht. Eiseres vordert in deze procedure schorsing van de executie van het verstekvonnis. De voorzieningenrechter houdt rekening met het verweer van eiseres dat zij in de reeds aanhangig gemaakte verzetprocedure zal gaan voeren. In deze verzetprocedure zal worden onderzocht of tussen eiseres en gedaagde een koopovereenkomst tot stand is gekomen, waarvan nakoming gevorderd kan worden, en of het schriftelijkheidsvereiste ingevolge artikel 7:2 BW ook ter bescherming strekt van de niet-professionele verkoper. De executie van het verstekvonnis wordt in afwachting van de verzetprocedure geschorst. Ook wordt het conservatoir leveringsbeslag – na een afweging van belangen – opgeheven.
De uitspraak op rechtspraak.nl