Rb. Amsterdam 27 december 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BP1645

Voldaan aan eis van dubbele gekwalificeerde strafbaarheid. Gelet op de toetsing aangaande de dubbele strafbaarheid is het allereerst niet aan de rechtbank in uitleveringsprocedures om tot in detail kennis te hebben van het, in dit geval, Australische familie- danwel strafrecht. Gelet op het interstatelijke vertrouwensbeginsel dient zij uit te gaan van de juistheid van de aangeleverde informatie met betrekking tot de feiten. Uit deze informatie blijkt dat de opgeeiste persoon zonder toestemming van de vader of de rechtbank Australië met haar zoon heeft verlaten terwijl zij partij was bij een door de rechter opgelegde “parental order”. Uit bijgevoegde wetsartikelen leidt de rechtbank af dat “parental responsibility” in Australië mede, maar niet uitsluitend, het Nederlandse begrip wettig (ouderlijk) gezag omvat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de vader geen ouderlijk gezag meer had op het moment dat de opgeeiste persoon op 24 april 2008 Australië met haar zoon verliet en wordt wel degelijk voldaan aan de kwalificatie van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2009 kan niet slagen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen