Rb. Amsterdam 21 juli 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2251
Beslag; klaagschrift ex artikel 552a Sv; niet-ontvankelijk; gegrond; ander-beslag. In de woning van klaagster zijn diverse schilderijen en beelden in beslag genomen. Een van deze voorwerpen behoort toe aan de kinderen van klaagster, zodat klaagster ten aanzien van dat voorwerp niet in haar klaagschrift kan worden ontvangen. Voor de overige voorwerpen geldt het volgende. In het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming wordt vermeld dat - kort gezegd - gezocht dient te worden naar vermogenscomponenten van belanghebbende. De daarop volgende vordering doorzoeking ter inbeslagneming en het bevel tot inbeslagneming zijn geënt op het algemene artikel 126b respectievelijk 94a Sv. Van de inbeslagname zelf is een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming ex artikel 126b Sv opgemaakt. Vervolgens is een proces-verbaal conservatoir beslag op roerende zaken en rechten aan toonder of order van een ander opgemaakt. In dit proces-verbaal staat vermeld dat sprake is geweest van ander-beslag. Hiervan is een afschrift aan de ander-beslagene, klaagster, verstrekt. Dit proces-verbaal is naar het oordeel van de rechtbank leidend. Klaagster mocht van de juistheid hiervan uitgaan. Het Openbaar Ministerie heeft niet op enigerlei wijze getracht deze beweerdelijke omissie te hertellen. De rechtbank is van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat aan de inbeslagneming als titel ten grondslag ligt artikel 94a, derde lid, Sv., aan welke vereisten niet is voldaan. Het klaagschrift dient daarom ten aanzien van de overige voorwerpen gegrond te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl