Rb. Amsterdam 28 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM7546
RWN / beroep gegrond / motiveringsgebrek met betrekking tot overschrijding redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM Ten aanzien van de periode tussen het plegen van het laatste strafbare feit op 15 januari 1999 en de datum van de veroordeling op 28 augustus 2002 overweegt de rechtbank als volgt. Volgens de AbRS (zie uitspraak van 16 oktober 1998, LJN: AG8928) dient voor wat betreft die periode aansluiting gezocht te worden bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad (HR) waarin criteria zijn ontwikkeld voor de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM. Blijkens het arrest van de HR van 3 oktober (LJN: AA7309) gaat deze uit van een termijn van twee jaar vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Nu de periode tussen het plegen van het strafbare feit en de onherroepelijke veroordeling van eiser drie jaar en zeven maanden bedroeg, had verweerder dienen te onderzoeken op welk moment de redelijke termijn in dit geval is aangevangen en of de door het EHRM en de HR ontwikkelde criteria voor de beoordeling van de redelijkheid van de termijn, zoals bijvoorbeeld het processuele gedrag van eiser en de ingewikkeldheid van de zaak, in dit geval aanleiding vormen om geen overschrijding van die termijn aan te nemen. Het bestreden besluit is gelet daarop niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en onvoldoende gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl