Rb. Amsterdam 23 december 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BL6743

wijze van begroting van schade in schadestaatprocedure In het vonnis in de hoofdzaak is geoordeeld dat overeenstemming bestond over de essentialia van de te sluiten koopovereenkomst met betrekking tot een distributiecentrum, te weten object, prijs en leveringsdatum, zij het dat sprake was van een overeenkomst onder de opschortende voorwaarde van een nader op te maken schriftelijk contract. Verder is geoordeeld dat het vertrouwen van eiseres in de totstandkoming van de overeenkomst gerechtvaardigd was, waaraan volgens de rechtbank noch de opschortende voorwaarde, noch het feit dat op onderdelen - te weten mogelijke bodemvervuiling, overgang risico, garanties en andere zaken - nog nadere overeenstemming moest worden bereikt, in de weg stonden. Bij die feiten past slechts vergoeding van het positief contractsbelang. De schade moet worden begroot op de voet van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. Volgens de rechtbank kan aansluiting worden gezocht bij de berekeningswijze van artikel 7:36 BW. De schade bestaat dan uit het verschil tussen de overeengekomen koopsom en de werkelijke waarde rond tijdstip van levering. Gederfde huurinkomsten vallen niet onder dit begrip

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen