Rb. Amsterdam 18 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BL5245
Verzet tegen executie beslag door een derde ex artikel 438 lid 5 Rv, belangenverstrengeling? verjaring De vordering wordt ingesteld door de bewindvoerder die zichzelf in persoon als geëxecuteerde dagvaardt. In dit geval geen ontoelaatbare belangenverstrengeling die noopt tot het voorzien in een andere vertegenwoordiging. De dubbele hoedanigheid staat de behartiging en beoordeling van de belangen in het onderhavige geval niet in de weg. Het beslag is gelegd op grond van een vonnis uit 1984. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van dit vonnis is echter verjaard. Er heeft geen geldige stuitingshandeling plaatsgevonden. De openbare betekening van het vonnis in 2004 kan niet worden gekwalificeerd als rechtsgeldige stuitingshandeling ex artikel 3:325 BW. Onvoldoende gebleken is dat redelijke onderzoeksinspanningen zijn verricht om adres dan wel werkelijke verblijfplaats te achterhalen. GBA is kennelijk niet geraadpleegd terwijl dit onderzoek zou hebben geleid tot een adres waar rechtsgeldig betekend had kunnen worden. Titel op grond waarvan beslag is gelegd, kan niet meer tenuitvoer worden gelegd zodat beslag dient te worden opgeheven.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 54 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 55 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 65 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 111 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 324 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1 Algemene termijnenwet
- Artikel 3:325 BW3