Rb. Amsterdam 25 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BL5243

Verzekeringsrecht, groepsverband artikel 6:166 lid 1 BW, kinderen artikel 6:169 BW, opzetclausule Op 6 juni 2004 heeft een brand gewoed in een schoolgebouw. De brand is ontstaan doordat drie jongens (destijds allen vijftien jaar oud) op het dak van de gymzaal van de school gaten hebben gebrand in een plastic lichtkoepel met het doel om in te breken in de gymzaal. Een hoofdaannemer die op dat moment aan een nog niet opgeleverd nieuw gedeelte van de school werkzaamheden verrichtte, heeft schade geleden, begroot op een bedrag van EUR 929.127,18. Deze schade is door de CAR-verzekeraars vergoed. De drie jongens waren ten tijde van de brand medeverzekerd bij de wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen van hun ouders, maar die weigeren dekking te verlenen op grond van de in hun polisvoorwaarden gehanteerde opzetclausule. De CAR-verzekeraars hebben twee aansprakelijkheidsverzekeraars en één van de drie jongens en zijn ouders gedagvaard. De drie jongens zijn op grond van artikel 6:166 lid 1 BW ieder hoofdelijk aansprakelijk jegens de hoofdaannemer voor de schade. De ouders van de drie jongens kan niet worden verweten dat zij de gedragingen van de drie jongens niet hebben belet als bedoeld in artikel 6:169 BW. Niet gebleken is dat zij tekort zijn geschoten in hun toezichthoudende taken. De aansprakelijkheidsverzekeraars hebben een terecht beroep gedaan op de opzetclausule. Niet van belang is of de jongens de gevolgen van hun gedragingen, namelijk dat een deel van de school is afgebrand, hebben beoogd, (met zekerheid) konden voorzien of zich hier bewust van zijn geweest. Dat de opzet gericht was op het (wederrechtelijk) gaten branden in de plastic lichtkoepel om in de gymzaal van de school in te kunnen breken, is voor een beroep op de opzetclausule voldoende. Dit handelen van de drie jongens is aan te merken als crimineel gedrag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen