Rb. Amsterdam 2 december 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK5504
De raadsman heeft een beroep gedaan op de bescherming van artikel 6, lid 5 van de OLW. Hij heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon. Gelet op het arrest van het Europees Hof van Justitie (HvJ) in de zaak K. d.d. 17 juli 2008 ( C-66/08), moet de opgeëiste persoon met succes een beroep kunnen doen op eerdergenoemde bescherming, aldus de raadsman. De raadsman heeft, onder verwijzing naar het op 6 oktober 2009 gewezen arrest van het HvJ in de zaak W. (C-123/08), naar voren gebracht dat het criterium van een ononderbroken periode van vijf jaar rechtmatig verblijf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat – een criterium waar de opgeëiste persoon niet aan voldoet – niet zonder meer uit dat arrest voortvloeit. In de tweede volzin van alinea 68 van genoemd arrest ziet de raadsman ruimte voor de rechtbank om te beoordelen of de opgeëiste persoon aanspraak kan maken op de in artikel 6 OLW geboden garantie Oordeel rechtbank: Aangezien Nederland, anders dan Duitsland, in artikel 6 vijfde lid OLW een algemene, geobjectiveerde en nader geconcretiseerde voorwaarde hanteert, spelen de K.-criteria voor EU-burgers die niet voldoen aan de materiële voorwaarden om voor een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd in aanmerking te komen onder het Nederlandse overleveringsrecht geen rol (meer). Nu niet wordt betwist dat de opgeëiste persoon korter dan vijf jaar in Nederland heeft verbleven en om die reden niet aan de materiële voorwaarden voor een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd voldoet, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van zijn mate van integratie, zoals door de raadsman is bepleit. Dat het W.-arrest en in het bijzonder rechtsoverweging 68 tweede volzin wel deze ruimte zou bieden, kan naar het oordeel van de rechtbank noch in genoemde rechtsoverweging noch in het arrest als geheel gelezen worden. Verweer verworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl