Rb. Amsterdam 29 juli 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ5163

Ruilverkaveling, correctie van onjuist gebleken actualiseringsfactor Artikel 210 lid 3 Landinrichtingswet De in de Nadere regeling opgenomen actualiseringsfactor is, als uitvloeisel van artikel 210 lid 3 Lw, in beginsel bindend. Dat neemt niet weg dat voor zover toepassing van de Nadere regeling zou leiden tot strijd met de tekst of de strekking van de Landinrichtingswet dan wel zou leiden tot een willekeurige en onredelijke geldelijke regeling, die de wetgever bij de in artikel 210 lid 3 Lw gegeven bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad, die toepassing dient te worden gecorrigeerd. In dit geval is de actualiseringsfactor bij nader inzien onjuist gebleken en werkt die - anders dan bij rechthebbenden binnen het blok die zijn onderbedeeld - nadelig voor de rechthebbenden die zijn overbedeeld. Die moeten immers meer betalen dan bij toepassing van de juiste factor het geval zou zijn. De thans geldende actualiseringsfactor is ook vastgesteld in strijd met de uitgangspunten die de regelgever zelf voor ogen had. In het destijds opgestelde stelsel van classificatie is immers bepaald dat voor de schatting van de waarde van cultuurgronden vier klassen zouden worden onderscheiden, oplopend in agrarische waarde van ƒ 34.000,-- tot ƒ 40.000,-- / ha, terwijl bij de uitwerking een gemiddelde schattingswaarde voor cultuurgrond is gehanteerd van ƒ 33.781,-- / ha. Namens de minister is - onweersproken - uiteengezet dat dit het gevolg was van de omstandigheid dat ten onrechte openbare gronden zijn meegerekend bij de bepaling van het gemiddelde, in plaats van een gemiddelde schatting die alleen betrekking had op cultuurgrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen