Rb. Amsterdam 28 januari 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BH5765

Vermogensbeheer, verjaring, zorgplicht, redelijk handelend en redelijk bekwaam beleggingsadviseur, beleggingsprofiel, eigen schuld. Beoordeeld dient te worden of de bank bij de uitvoering van haar werkzaamheden heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beleggingsadviseur mag worden verwacht. Vast staat dat geen beleggingsprofiel is opgesteld. Een verplichting hiertoe geldt op grond van de NR 1999 evenwel pas vanaf 1 juni 1999 (informatie inwinnen) en 1 januari 2002 (vastleggen). Dat neemt niet weg dat partijen destijds in onderling overleg een financieel plan hebben opgesteld waarin uitgangspunten zijn geformuleerd die van belang waren voor de door ABN Amro uit te voeren diensten. Het opstellen van een beleggingsprofiel strekt ertoe om duidelijkheid te scheppen omtrent de wensen, mogelijkheden en behoeften van de belegger. Het financieel advies is weliswaar niet ingericht als een beleggingsprofiel, doch het biedt voldoende aanknopingspunten voor vaststelling van de destijds bij eiser bestaande bedoelingen. Voor zover uit dit advies al niet volgt dat een defensief beleggingsbeleid was gewenst - zoals eiser stelt - kan het in ieder geval niet dienen als basis voor een offensief beleid. Dat een offensief beleggingsbeleid is gevolgd is door de bank niet betwist. Derhalve kan worden vastgesteld dat de bank bij haar dienstverlening is afgeweken van de in 1995 tussen partijen besproken uitgangspunten. Ook had het op de weg van de bank gelegen om eiser, toen opties aan de portefeuille werden toegevoegd, adequaat voor te lichten over – en te waarschuwen voor – de toegenomen risico’s, alsmede om hem aan een nader onderzoek te onderwerpen om zich ervan te vergewissen dat deze wijziging in strategie strookte met zijn bedoelingen. Uit het voorgaande volgt dat de bank bij de uitvoering van haar werkzaamheden niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beleggingsadviseur mag worden verwacht. Zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht en die tekortkoming kan aan de bank worden toegerekend. Dat maakt de bank in beginsel jegens eiser gehouden de daaruit voortgevloeide schade te vergoeden. Met de bank is de rechtbank van oordeel dat de schade, gelet op de feiten en omstandigheden, mede een gevolg is van een omstandigheid die aan eiser kan worden toegerekend. Eiser had in plaats van de adviezen van de bank nagenoeg blindelings op te volgen kritische vragen moeten stellen. Uitgangspunt is dat fouten van de kant van – in dit geval eiser – in beginsel minder zwaar wegen dan fouten van de zijde van de bank. Het gaat immers om schending van een zorgplicht van de bank die naar zijn aard tot strekking heeft eiser tegen deze fouten te beschermen. De rechter ziet echter in de over en weer gemaakte fouten wel aanleiding naar evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen de vergoedingsplicht van de bank te verminderen tot 50%. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat sprake is geweest van een adviesrelatie, zodat eiser in beginsel zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn beslissingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen