Rb. Amsterdam 17 december 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BH2716

Gedaagde heeft tussen 1999 en 2005 op een inleg van € 1.429.159,01 een bedrag van € 5.473.569,95 van B ontvangen. De Curator in het faillissement van B vordert op diverse gronden (terug)betaling van het verschil aan de boedel. De rechtbank oordeelt dat de artikelen 6 en 82 Wtk alsmede 3 Wte niet de strekking hebben de geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten (artikel 3:40 lid 3 BW). Dit geldt ook voor artikel 417 bis Sr (schuldheling). Voor nietigheid van een rechthandeling wegens strijd met de goede zeden (artikel 3:40 lid 1 BW) is vereist dat de wederpartij wetenschap heeft van de onzedelijke bedoeling van de ander. Deze wetenschap ontbreekt in dit geval. Ten aanzien van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking oordeelt de rechtbank onder verwijzing naar relevante jurisprudentie dat geen goede gronden bestaan aan te nemen dat de Curator, uit hoofde van diens taak de belangen van de gezamenlijke bij het faillissement betrokken schuldeisers te behartigen, gedaagde niet ook op grond van ongerechtvaardigde verrijking tot schadevergoeding zou kunnen aanspreken, nu sprake is van benadeling terwijl gedaagde daarvan zou hebben geprofiteerd door de uitbetalingen door B zonder voldoende rechtsgrond in ontvangst te nemen en te behouden. De Curator is daarom ontvankelijk in zijn vordering. Indien en voor zover de aan gedaagde gedane uitbetalingen niet afkomstig zijn van door B op beleggingen behaalde rendementen, maar afkomstig zijn uit door anderen ingelegde gelden, strekten de uitbetalingen ter instandhouding van de door B opgezette zwendel, aangezien daarmee de illusie in stand werd gehouden dat de voorgespiegelde zeer hoge rendementen daadwerkelijk werden behaald, waardoor de overige geldverstrekkers werden bewogen geld aan B ter beschikking te (blijven) stellen. In dat geval ontbreekt een redelijke grond voor de uitbetalingen en is gedaagde daardoor ten koste van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van B ongerechtvaardigd verrijkt. De Curator dient te bewijzen dat ook in de periode vóór 1 januari 2003 door B met het hem door gedaagde ter beschikking gestelde geld niet is belegd en dat de in die periode gedane uitbetalingen niet afkomstig waren uit daarop behaalde rendementen. Voor zover de Curator in het bewijs slaagt zal gedaagde worden veroordeeld tot vergoeding van de door de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van B geleden schade, welke bestaat uit het verschil tussen zijn inleg - vermeerderd met de wettelijke rente tot 15 juni 2005 - en de som van de zonder redelijke grond gedane uitbetalingen

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen