Rb. Amsterdam 23 december 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BH0535

Executieoverlevering naar Polen toegestaan, geen rechtsmacht De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon zodanig in Nederland is geworteld dat hij als ingezetene van Nederland moet worden beschouwd. De prejudiciële vragen die door de rechtbank zijn gesteld bij interlocutoire uitspraak van 28 december 2007 zijn van belang voor de beslissing op het verzoek tot overlevering van deze opgeëiste persoon, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 20 augustus 2008, LJN: BF3816, waarin door de rechtbank wordt overwogen dat het ontbreken van rechtsmacht niet van doorslaggevend belang hoeft te zijn, mits kan worden vastgesteld dat Nederland tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf kan overnemen. Naar het oordeel van de raadsman moet aansluiting worden gezocht bij de eis van artikel 6, derde lid, van de OLW, wanneer het gaat om gelijkstelling aan een executieoverlevering. In deze zaak dient te worden bekeken of artikel 68 SUO een basis kan bieden voor de overname van de op te leggen straf, nu de opgeëiste persoon zich naar het oordeel van de Poolse autoriteiten heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de straf, aldus de raadsman. Aanhouding van de behandeling om de IND te laten vaststellen of de opgeëiste persoon zijn verblijfstitel zal verliezen ligt in de rede. De rechtbank is van oordeel dat het buiten toepassing laten van een wet in formele zin slechts mogelijk is indien die toepassing in strijd is met een rechtens dwingende bepaling van hogere orde, zoals een eenieder verbindende verdragsbepaling of een algemeen of fundamenteel (Europees) rechtsbeginsel. Het enkele feit dat artikel 68 SUO een alternatieve basis kan bieden om de straf die aan de opgeëiste persoon is opgelegd over te nemen, dwingt op zichzelf niet tot de conclusie dat het vereiste van rechtsmacht in dit geval niet mag worden tegengeworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen