Rb. Amsterdam 6 februari 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1554
De rechtbank stelt vast dat verweerder voor het aanleggen van de databank waarin de door eiseres gevraagde gegevens zijn neergelegd publieke middelen ter beschikking heeft, die gedeeltelijk komen uit de eigen middelen en gedeeltelijk uit een speciale rijksbijdrage. Van een risicodragende investering is geen sprake. Dat voor het opzetten van de databank (hoge) kosten moeten worden gemaakt, maakt dat niet anders. De investering moet daadwerkelijk betrekking hebben op het aanleggen en in stand houden van de databank, wil van een databankenrecht sprake kunnen zijn (vgl. gerechtshof Arnhem 4 juli 2006 (LJN AY0089)). De databank mag dus geen nevenproduct zijn van de eigenlijke hoofdactiviteit van de producent. De rechtbank deelt het standpunt van eiseres dat de databank in het geval van verweerder in de eerste en voornaamste plaats een publieke taak dient. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in verband met de databank aanzienlijke investeringen heeft moeten doen die hij anders niet zou hebben gedaan. Daarom kan niet worden gezegd dat verweerder als risicodrager een investering heeft gedaan in de zin van de Databankenwet.
De uitspraak op rechtspraak.nl