Rb. Amsterdam 2 juli 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BE9636

Eiseres is in 1960 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met erflater. Eiseres en erflater hebben gedurende hun samenleving een omvangrijke collectie kunst verzameld, voornamelijk bestaande uit schilderijen. In 1993 hebben zij hun samenwoning beëindigd, maar ze zijn niet van echt gescheiden. Erflater is in de echtelijke woning gebleven en is daar in 1998 met gedaagde sub 1gaan samenwonen. In 2006 is erflater overleden.In beide procedures vordert eiseres enerzijds afgifte van roerende zaken en anderzijds een verklaring voor recht dat die en/of andere zaken haar eigendom zijn. Zij stelt daartoe dat al die zaken voor het overlijden van erflater deel uitmaakten van de huwelijksgemeenschap van haar en erflater, daarom (mede) tot de nalatenschap van erflater behoren en dus nu aan haar toebehoren. De stelplicht en eventuele bewijslast met betrekking tot de beweerde eigendomsrechten ligt in beginsel bij eiseres. Met betrekking tot de gevorderde afgifte ligt dat anders. Die vorderingen zijn immers gebaseerd op artikel 4:183 BW, dat de erfgenaam – eiseres – de mogelijkheid biedt om alle goederen van de nalatenschap met inbegrip van die goederen welke de erflater op het tijdstip van zijn overlijden voor derden hield, op te vorderen van iedere derde die deze goederen zonder recht houdt. Daartoe hoeft geen (eigen) recht op het opgevorderde gesteld of bewezen te worden. Voldoende is dat komt vast te staan dat de goederen in zodanige verhouding tot de erflater hebben gestaan, dat kan worden gezegd dat zij zich in de nalatenschap bevonden. Bovendien kunnen op grond van genoemd artikel niet alleen bepaald aangewezen goederen, maar kan alles wat tot de nalatenschap heeft behoord zonder enige specificatie worden opgeëist. Niettemin zal voldoende aannemelijk moeten worden dat de derde – gedaagden – de opgevorderde zaken daadwerkelijk onder zich heeft. In zoverre zal, bij betwisting daarvan, toch tenminste enige specificatie van eiseres mogen worden gevergd. Voor zover gedaagden bestrijden dat zij de opgevorderde goederen zonder enig recht houden, dienen zij te stellen welk recht zij pretenderen en van wie, onder welke titel en hoe dat recht is verkregen. Bij betwisting door eiseres van aldus gestelde betere rechten, rust de eventuele bewijslast op eiseres. Het zwaartepunt van het geschil in de zaak ligt bij vier kostbare schilderijen en de auto.Vast staat dat zowel deze schilderijen als de auto alle zijn gekocht door erflater en/of eiseres en daardoor deel zijn gaan uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Gedaagde sub 1 beroept zich er echter op dat erflater deze zaken nadien aan haar in eigendom heeft overgedragen, ter voldoening aan de op hem rustende natuurlijke verbintenis om te waarborgen dat zij niet geheel onverzorgd zou achter blijven. Gedaagde sub 1 zoekt ter onderbouwing van haar verweer nadrukkelijk aansluiting bij de rechtspraak van de Hoge Raad, waaruit criteria zijn af te leiden op grond waarvan onder bepaalde omstandigheden het bestaan van een natuurlijke verbintenis kan worden aangenomen tussen echtgenoten die zijn gehuwd met uitsluiting van elke goederengemeenschap. Gedaagde sub 1 meent kennelijk dat op grond van overeenkomstige omstandigheden ook tot een natuurlijke verbintenis tussen ongehuwden kan worden geconcludeerd, mits daarvoor voldoende objectieve aanknopingspunten zijn. De rechtbank is van oordeel dat die mogelijkheid niet uitgesloten moet worden geacht. Anders dan gedaagde sub 1 oordeelt de rechtbank echter dat de drempel voor het aannemen van een natuurlijke verbintenis in die situatie in het algemeen hoger zal liggen dan bij echtgenoten die zijn gehuwd met algehele uitsluiting. Daar komt bij dat de stelling van gedaagde sub 1 erop neerkomt dat sprake is van een zodanig dingende morele verplichting, dat de overdracht van in een huwelijksgemeenschap tussen erflater en een ander, te weten eiseres, vallende zaken aan gedaagde sub 1 naar maatschappelijke opvattingen moet worden aangemerkt als een aan gedaagde sub 1 toekomende prestatie. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen slechts zeer bijzondere omstandigheden een dergelijke uitkomst rechtvaardigen. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Uiteindelijk heeft de rechtbank, waar mogelijk, beslissingen genomen over die geschilpunten die tenminste enigszins onderwerp van debat tussen partijen zijn geweest. Daarmee zijn de hoofdpunten die partijen verdeeld houden, in eerste instantie beslecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen